
Ha Spiegel. Vind jij ook dat ik er stralend uitzie?
O, natuurlijk. En als ik met je praat, praat ik dan eigenlijk met mezelf?
Aha, als ik het goed begrijp zijn er dus twee zelven. Mijn zelf die de vragen stelt en mijn hogere zelf die een handig automatisch antwoordapparaat is.
Oké, laten we dan doen alsof jij Spiegel mijn hogere zelf bent en jij mij antwoorden geeft, goed?
Ik moest deze zin van je onthouden: “Wat je zegt ben je zelf.”
Dus als ik zeg dat iemand zo lenig is als een aap, wil ik misschien ook wel door de jungle slingeren.
En als ik tijdens de gym zie dat Milan flinke spierballen heeft als hij aan een rekstok hangt, dan denk ik: “Wauw, wat is hij sterk.” Ben ik dan ook sterk of wil ik sterker worden?
Ik heb geen spierballen en ik voel me een slappie. Ik zou willen dat ik net zo sterk zou zijn als Milan zodat ik kan rondzwieren aan de rekstok.
Veel oefenen denk ik. Ik zal eens aan Milan vragen hoe hij het heeft geleerd.
Maar dan klopt de zin: “Wat je zegt ben je zelf” toch niet! Ik bén nu nog niet sterk.
Daar ga ik even over nadenken, Spiegel. Ik heb nog een vraag voor je. In onze klas zit een meisje dat niet goed kan rekenen. We zitten nu in groep zes en je mag toch verwachten dat je dan genoeg tijd hebt gehad om het te leren.
Ik stoor me aan haar omdat de juf het steeds opnieuw moet uitleggen.
Uh, omdat het zo lang duurt.
Tja, ik ben nogal ongeduldig, bedenk ik me nu.
Oepsiesoepsie, ik kan helemaal niet zo goed diepte tekenen.
Als ik een kubus moet tekenen of een huis, dan kan ik dat écht niet. Ik schaam mezelf hiervoor.
Het klopt, Spiegel. Ik kan zoveel dingen wel goed, zoals verhalen vertellen en ik heb soms briljante ideeën. Ik denk ook dat het meisje in mijn klas veel dingen kan, die ik nog niet van haar weet. Daar ben ik wel benieuwd naar. Ik heb een idee! Ik kan haar misschien wel helpen met rekenen.
Geweldig! Hier word ik blij van! Hasta la vista, Spiegel, tot mañana!
Vragen voor jou